Den Haag, 9 april 2017

 

Een getuige niet zomaar geloven

Als een getuige zegt honderd procent zeker te zijn van zijn zaak is dat nog geen reden om hem op zijn woord te geloven. In een blog voor Sdu komt Wendy Alberts aan de hand van een praktijkvoorbeeld en haar achtergrond als psycholoog en criminoloog onder andere tot deze conclusie.

Advocaten weten het al langer; als een verklaring van een getuige niet wordt ondersteund door hard, objectief bewijs is er al snel reden om het waarheidsgehalte kritisch te toetsen.

 

Mannen sneller zeker van hun zaak dan vrouwen

In de door strafrechtadvocaat Alberts beschreven zaak nam de officier van justitie voor haar overtuiging mee dat de getuige honderd procent zeker was van zijn zaak. Is dat ook terecht vroeg de strafpleiter zich af?

Uit wetenschappelijke literatuur blijkt volgens Alberts dat een positief zekerheidsoordeel van de getuige helemaal geen betrouwbare indicator is voor de juistheid hiervan.

Mannen blijken zich bijvoorbeeld hogere zekerheidsoordelen te geven dan vrouwen bij gelijke geheugenprestaties. Bovendien zullen getuigen emotionele gebeurtenissen met een hogere mate van zekerheid herinneren dan meer neutrale gebeurtenissen. Maar als een fout wordt gemaakt door getuigen tijdens een emotionele gebeurtenis wordt bij verkeerde waarneming daarna wel met dezelfde hoge mate van zekerheid herinnerd als wanneer het om een juiste waarneming zou zijn gegaan. Een hogere mate van zekerheid van een getuigenverklaring lijkt samen te hangen met de emotionele gebeurtenis zelf en niet met door de getuige gevoelde accuraatheid van de waarneming.

 

Waarheid moeilijk van suggestie te scheiden

Strafrechtadvocaat Alberts betoogt voorts aan de hand van wetenschappelijk onderzoek dat mensen moeite hebben gesuggereerde ervaringen te onderscheiden van echte ervaringen. In dit kader wees zij op een onderzoek waarin aan proefpersonen een video werd getoond. Hier werd een gebeurtenis wel gesuggereerd maar niet echt getoond. Zo was bijvoorbeeld  te zien dat iemand een doosje lucifers pakte, terwijl het volgende moment een brandende kaars te zien was waarbij ook nog een hand met een uitgebrand luciferhoutje werd getoond. Proefpersonen bleken achteraf de feitelijk niet getoonde, maar wel aannemelijke handeling van het aansteken van de kaars met even grote zekerheid “te herinneren“ als de personen aan wie deze handeling wel was getoond. Niet waargenomen informatie wordt dus op een later moment wel herinnerd als de context dit aannemelijk lijkt te maken.

Het is belangrijk dat procespartijen in een strafproces kritisch blijven, ook als een getuige zegt zeker te zijn van zijn zaak. In ieder geval ligt hiervoor strafpleiters een taak.

 

Bron: Sdu